Vrachtwagen

Ik zag hem van ver. Aan de rand van de weg stond hij daar gestrand met pech. Hij stond er al een hele tijd, te zien aan de staat waarin hij zich bevond.  De ramen waren stuk, de wielen waren verwijderd. Rijm op het koetswerk. Het was vroeg in de ochtend.

De hand van het jongetje dat deze vrachtwagen had bewogen, was reeds lang verdwenen. Verdwenen de kracht die de vrachtwagen tot leven bracht. Verdwenen de wereld die met de vrachtwagen openging. Verdwenen het jongetje.

Was hij ondertussen een man? Het model van het autootje deed vermoeden van wel. De vrachtwagen was met het jongetje oud geworden. Dacht hij nog aan de dromen die hij toen had? Heeft hij ze gerealiseerd of liet hij ze achter bij het wagentje aan de rand van de weg?

De vrachtwagen aan de rand van de weg vroeg het mij. Vergeten dromen verzamelden zich in de laadbak van het voertuigje. Voor mij de speelgoedautootjes die ik zo vaak in een rij zette op de trede van onze huiskamer. Ik wist niet dat ik toen profetisch de eerste file etaleerde. De autootjes werden Lego-stenen, waar innovatie toegepast werd voor het was uitgevonden. Lego werd een eerste computer, de toegang tot een virtuele wereld vol fantasie. En dan stopte de verbeelding. Studeren werd werk. Werk werd geld. Geld werd…? Wat werd ik?

Ik lachte bij het idee dat ik nu zo’n anderhalve minuut stil stond in de kou, kijkend naar een kapot speeltuigje langs de rand van het winters weiland waar ik mijn ochtend zo vaak begon.

Ik vervolgde mijn wandeling en een droom verscheen aan de horizon. Het jongetje lachte.